Ten aanzien van de niet voor het leven benoemde rechterlijke ambtenaren en de rechterlijke ambtenaren in opleiding zijn gedurende de periode van 1 januari 1998 tot en met 31 december 2000, in afwijking van
artikel 39, eerste lid, van het Besluit rechtspositie rechterlijke ambtenarenzoals dat gedurende deze periode luidde, het
Rijkswachtgeldbesluit 1959, met uitzondering van de wijzigingen die daarin zijn aangebracht bij de
koninklijke besluiten van 20 december 1995 (Stb. 1996, 4),
23 januari 1996 (Stb. 62)en 2 augustus 1997 (Stb. 363), en de
Uitkeringsregeling 1966, met uitzondering van de wijzigingen die daarin zijn aangebracht bij de
koninklijke besluiten van 20 december 1995 (Stb. 1996, 4)en
23 januari 1996 (Stb. 62), van overeenkomstige toepassing zoals zij luidden op 1 januari 1998.