1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Wet milieubeheer; de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; de Wet bodembescherming;
b. de Algemene Plaatselijke Verordening van de in het tweede lid genoemde gemeente en/of andere (provinciale) verordeningen, voor zover betrokkene voor voornoemde verordeningen door het bevoegd bestuursorgaan daartoe is aangewezen;
c. de artikelen 179, 180, 181, 182, 184, 185, 285, 424, 425, en 435, onder 4 van het Wetboek van Strafrecht;
d. andere strafbare feiten, indien en voor zover de buitengewoon opsporingsambtenaar daarmee in een concreet opsporingsonderzoek is belast, voor de duur van dat onderzoek;
e. de Wet op de economische delicten, voor zover het feiten betreft waarvoor in dit besluit en binnen de op grond van dit besluit uit te vaardigen “akten” opsporingsbevoegdheid is verleend.
2. De buitengewoon opsporingsambtenaar, bedoeld in artikel 1, is tevens bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens andere wetten, indien en voor zover hij daarmee in een concreet opsporingsonderzoek door een officier van justitie wordt belast, voor de duur van dat onderzoek.
3. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam.