1. Degene die in de periode van 1 januari 1998 tot 25 maart 2000 het ambt heeft bekleed van gedeputeerde of wethouder kan voor elk van de jaren 1998, 1999 en 2000, waarover hij premie heeft betaald voor de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen, verzoeken om een tegemoetkoming waarvan de hoogte wordt berekend op de wijze als aangegeven in de volgende leden.
2. De hoogte van de tegemoetkoming wordt voor elk van de jaren 1998 en 1999 berekend door het bedrag van de in het betreffende jaar genoten bezoldiging als gedeputeerde dan wel wethouder vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, doch in totaal niet meer dan f 84 000, te verminderen met f 29 000, en vervolgens te vermenigvuldigen met het in het betreffende jaar geldende percentage voor de premie voor de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. De tegemoetkoming bedraagt echter niet meer dan de betaalde premie.
3. De hoogte van de tegemoetkoming voor het jaar 2000 wordt berekend door het bedrag van de in dat jaar tot 25 maart 2000 in het betreffende ambt genoten bezoldiging vermeerderd met de daarover berekende vakantie-uitkering en eindejaarsuitkering, doch in totaal niet meer dan f 84 000, te verminderen met f 29 000 en vervolgens te vermenigvuldigen met het in dat jaar geldende percentage voor de premie voor de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen. De tegemoetkoming bedraagt echter niet meer dan de betaalde premie.
4. Indien voor een betrokkene in een of meer van de jaren 1998, 1999 en 2000 ook andere inkomensbestanddelen tot het premie-inkomen zijn gerekend, wordt het in de vorige leden genoemde bedrag van f 29 000 voor het betreffende jaar op zijn verzoek vermenigvuldigd met een factor waarvan de teller het premie-inkomen als gedeputeerde dan wel wethouder is en de noemer het totale premie-inkomen.