BWBR0012609
Artikel 6
Rijkswet tot goedkeuring van enkele verdragen inzake de bestrijding van fraude en corruptie II
Goedgekeurd wordt dat bij de binding van het Koninkrijk aan het in artikel 3 genoemde verdrag voor Nederland de volgende voorbehouden worden gemaakt:
1°. Met betrekking tot het eerste lid van artikel 17 kan door Nederland rechtsmacht worden
uitgeoefend in de volgende gevallen:
onderdeel a:
ter zake van het strafbare feit dat geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied
wordt gepleegd;
onderdeel b:
– ter zake van de overeenkomstig artikel 2 en ter zake van de in verbinding met artikel 2 overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 6 en 9 tot en met 11 strafbaar gestelde feiten, ten aanzien van zowel Nederlanders als Nederlandse ambtenaren
voor zover daarop door de wet van het land waar het feit begaan is, straf is gesteld,
– ter zake van de overeenkomstig artikel 3 en ter zake van de in verbinding met artikel 3 overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 6 en 9 tot en met 11 strafbaar gestelde feiten, ten aanzien van Nederlandse ambtenaren en voorts ten aanzien
van Nederlanders die geen Nederlands ambtenaar zijn voor zover daarop door de wet
van het land waar het feit begaan is, straf is gesteld,
– ter zake van de overeenkomstig de artikelen 7, 8, 13 en 14 strafbaar gestelde feiten, ten aanzien van Nederlanders, voor zover daarop
door de wet van het land waar het feit begaan is, straf is gesteld;
onderdeel c:
ten aanzien van Nederlanders voor zover op het strafbare feit door de wet van het
land waar het begaan is, straf is gesteld;
2°. Aan de verplichting van artikel 12 wordt geen uitvoering gegeven.
1°. Met betrekking tot het eerste lid van artikel 17 kan door Nederland rechtsmacht worden
uitgeoefend in de volgende gevallen:
onderdeel a:
ter zake van het strafbare feit dat geheel of gedeeltelijk op Nederlands grondgebied
wordt gepleegd;
onderdeel b:
– ter zake van de overeenkomstig artikel 2 en ter zake van de in verbinding met artikel 2 overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 6 en 9 tot en met 11 strafbaar gestelde feiten, ten aanzien van zowel Nederlanders als Nederlandse ambtenaren
voor zover daarop door de wet van het land waar het feit begaan is, straf is gesteld,
– ter zake van de overeenkomstig artikel 3 en ter zake van de in verbinding met artikel 3 overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 6 en 9 tot en met 11 strafbaar gestelde feiten, ten aanzien van Nederlandse ambtenaren en voorts ten aanzien
van Nederlanders die geen Nederlands ambtenaar zijn voor zover daarop door de wet
van het land waar het feit begaan is, straf is gesteld,
– ter zake van de overeenkomstig de artikelen 7, 8, 13 en 14 strafbaar gestelde feiten, ten aanzien van Nederlanders, voor zover daarop
door de wet van het land waar het feit begaan is, straf is gesteld;
onderdeel c:
ten aanzien van Nederlanders voor zover op het strafbare feit door de wet van het
land waar het begaan is, straf is gesteld;
2°. Aan de verplichting van artikel 12 wordt geen uitvoering gegeven.