1. De commissie bestaat uit een voorzitter, tevens lid, en ten hoogste acht andere leden.
2. De leden van de commissie worden benoemd en ontslagen door de minister.
3. De benoeming geschiedt voor een termijn van twee jaar. De leden van de commissie zijn te allen tijde herbenoembaar.
4. Ter gelegenheid van de instelling van de commissie worden als leden benoemd:
a. ir. J. Zuidam, te Schimmert, tevens voorzitter;
b. drs. Chr. Sas, te Oosterhout;
c. dr. J. Nieuwenhuis, te 's-Gravenhage;
d. ir. W. Jouwsma, te Lochem;
e. drs. ing. A.J. Driesen, te Wassenaar;
f. drs. ing. S. de Graaf, te Bilthoven;
g. ir. R. van Yperen, te Rotterdam;
h. ir. J.Tj. Kerkhoven, te Roosendaal.
5. De minister kan een waarnemer aanwijzen, die het recht heeft de vergaderingen van de commissie bij te wonen.