1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a) de Wegenverkeerswet 1994, de artikelen 177, 179, 180, 184, 266, 267 en 435, onder ten vierde, van het Wetboek van Strafrecht;
b) de Algemene Politie Verordening en de Parkeerverordening van de gemeente Rotterdam, voorzover de betrokkenen daarvoor door het bevoegde bestuursorgaan zijn aangewezen;
c) andere strafbare feiten, indien en voor zover de buitengewoon opsporingsambtenaar daarmee door een officier van justitie in een concreet opsporingsonderzoek is belast, voor de duur van dat onderzoek.
De toepassing van de onder a en b bedoelde bevoegdheden, dient zich te beperken tot stilstaand verkeer.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Rotterdam.