BWBR0012089
Artikel V
Rijkswet tot wijziging Rijkswet op het Nederlanderschap (verkrijging, verlening en verlies van het Nederlanderschap)
1 De meerderjarige die vóór het tijdstip van de inwerkingtreding van deze Rijkswet op
grond van of, als minderjarige, wegens artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap zijn Nederlanderschap heeft verloren, herkrijgt het Nederlanderschap door het afleggen
van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring binnen een termijn van twee jaar
na de inwerkingtreding van deze Rijkswet. Deze herkrijging werkt terug tot het moment
van verlies. Artikel 6, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Het minderjarige niet-Nederlandse kind van
de vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, die een verklaring tot herkrijging van het Nederlanderschap aflegt, deelt in die
verkrijging, indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een
kind dat in die verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging.
Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van 16 jaar
heeft bereikt, deelt slechts in de verkrijging, indien het daarmee uitdrukkelijk instemt.
De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, genoemde periode vangt aan op de dag van de bevestiging als bedoeld in artikel 6, tweede lid.
2 Hij die op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze Rijkswet, zijn Nederlanderschap
heeft verloren en aan wie na 1 januari 1990 een verklaring omtrent het bezit van het
Nederlanderschap dan wel een reisdocument in de zin van de Paspoortwet is verstrekt, wordt geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren.
grond van of, als minderjarige, wegens artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap zijn Nederlanderschap heeft verloren, herkrijgt het Nederlanderschap door het afleggen
van een daartoe strekkende schriftelijke verklaring binnen een termijn van twee jaar
na de inwerkingtreding van deze Rijkswet. Deze herkrijging werkt terug tot het moment
van verlies. Artikel 6, tweede en vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing. Het minderjarige niet-Nederlandse kind van
de vader, moeder of adoptiefouder als bedoeld in artikel 11, achtste lid, die een verklaring tot herkrijging van het Nederlanderschap aflegt, deelt in die
verkrijging, indien het in de verklaring tot dat doel is vermeld. Kinderen van een
kind dat in die verkrijging deelt, delen onder dezelfde voorwaarden in die verkrijging.
Een kind dat ten tijde van het afleggen van de verklaring de leeftijd van 16 jaar
heeft bereikt, deelt slechts in de verkrijging, indien het daarmee uitdrukkelijk instemt.
De in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder c, genoemde periode vangt aan op de dag van de bevestiging als bedoeld in artikel 6, tweede lid.
2 Hij die op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Rijkswet op het Nederlanderschap, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze Rijkswet, zijn Nederlanderschap
heeft verloren en aan wie na 1 januari 1990 een verklaring omtrent het bezit van het
Nederlanderschap dan wel een reisdocument in de zin van de Paspoortwet is verstrekt, wordt geacht het Nederlanderschap niet te hebben verloren.