1. Onze Minister kan volgens bij ministeriële regeling gestelde regels geldelijke steun verstrekken voor andere doeleinden, de volkshuisvesting betreffende, dan de doeleinden waarvoor op voet van
hoofdstuk III van het Besluit woninggebonden subsidies 1995, zoals dat luidde op 31 december 1999, geldelijke steun kon worden verstrekt. Van deze bevoegdheid kan slechts gebruik worden gemaakt, voorzover het betreft geldelijke steun welke onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van dit besluit in een ministeriële regeling die berustte op
artikel 33 van voornoemd besluit, was geregeld.
2. Een ministeriële regeling als bedoeld in het eerste lid bevat in elk geval regels inzake:
a. de doeleinden waarvoor de geldelijke steun kan worden verstrekt;
b. degenen aan wie de geldelijke steun kan worden verstrekt;
c. de wijze van aanvragen van de geldelijke steun;
d. de bij de aanvraag over te leggen gegevens en bescheiden;
e. de termijnen voor de beslissing omtrent de aanvraag;
f. de gronden om geldelijke steun niet te verstrekken;
g. de voorwaarden of verplichtingen die gelden bij het verstrekken van de geldelijke steun;
h. de totstandkoming van het bedrag van de geldelijke steun;
i. de termijnen voor de beslissing omtrent de vaststelling van de geldelijke steun;
j. de wijze en het tijdstip of de tijdstippen van uitbetalen van de geldelijke steun;
k. de vaststelling van het plafond van de te verstrekken geldelijke steun en de wijze van verdeling van het beschikbare bedrag.
3. Indien geldelijke steun als bedoeld in het eerste lid anders dan op aanvraag wordt verstrekt, bevat de daarop betrekking hebbende ministeriële regeling, in plaats van regels inzake de onderwerpen, genoemd in het tweede lid, onderdelen c tot en met f, regels inzake de wijze waarop die verstrekking plaatsvindt.
4. Met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit berusten de ministeriële regelingen die onmiddellijk daaraan voorafgaand berustten op
artikel 33 van het Besluit woninggebonden subsidies 1995, op het eerste lid van dit artikel.