1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot de opsporing van feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Bestrijdingsmiddelenwet; de Destructiewet; de Wet verontreiniging oppervlaktewateren; de Wet milieubeheer; de Wet milieugevaarlijke stoffen; de Arbeidsomstandighedenwet; de Wet bodembescherming; de Wegenverkeerswet 1994; de Wet op de ruimtelijke ordening; het Rijkszeeweringsreglement; de artikelen 137c, 140, 141, 173a, 173b, 179, 180, 184, 188, 225, 310, 321, 326, 326a, 350, 351, 351bis, 362, 424, 425, 427, 429, onder ten eerste, 435, onder ten vierde, 437ter en 443 van het Wetboek van Strafrecht;
b. de verordeningen van de gemeente Rotterdam, voor zover hij daarvoor is aangewezen;
c. de verordeningen van de provincie Zuid-Holland, voor zover hij daarvoor is aangewezen;
d. de bijzondere wetten of verordeningen, waarvoor hij na inwerkingtreding van dit besluit is aangewezen door of namens de bevoegde minister of instantie.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied van de gemeente Rotterdam.