1. De persoonlijke verblijfsruimte is zodanig uitgevoerd en ingericht dat zij voldoet aan de eisen die het behandelingskarakter van de inrichting daaraan stelt.
2. Bij plaatsing wordt de persoonlijke verblijfsruimte schoon, in goede staat en zonder gebreken opgeleverd aan de verpleegde.
1. In een wand van de persoonlijke verblijfsruimte bevindt zich tenminste één beveiligd raam.
2. Het raamoppervlak van de persoonlijke verblijfsruimte bedraagt minimaal 0,75 vierkante meter.
1. In de persoonlijke verblijfsruimte is een regelbare verwarming aangebracht.
2. De verwarming heeft een zodanige capaciteit dat bij een buitentemperatuur van minus 10 °C en een windsnelheid van 10 meter per seconde in de persoonlijke verblijfsruimte een temperatuur van 20 °C kan worden bereikt.
3. De persoonlijke verblijfsruimte is voorzien van een ventilatiemogelijkheid waardoor op natuurlijke dan wel mechanische wijze lucht kan worden aan- en afgevoerd.
De persoonlijke verblijfsruimte is voorzien van een voorziening waarmee vanuit de persoonlijke verblijfsruimte te allen tijde met een personeelslid of medewerker van de inrichting contact kan worden opgenomen.
1. Indien de persoonlijke verblijfsruimte is voorzien van een toilet dan dient dat van de overige persoonlijke verblijfsruimte en van de gang afgeschermd te zijn met een schaamschot.
2. Indien de persoonlijke verblijfsruimte zelf niet voorzien is van sanitair, dan is dat elders in het pand in voldoende mate beschikbaar.
De persoonlijke verblijfsruimte is ingericht met tenminste:
a. een spiegel;
b. een kast;
c. een tafel;
d. een stoel;
e. een aan de wand bevestigd prikbord of vergelijkbare voorziening;
f. een bed;
g. twee contactdozen.
Persoonlijke verblijfsruimten waarvan de oorspronkelijke bouw is aangevangen voor 1996, moeten in elk geval voldoen aan de eisen vermeld in de artikelen 3, 5, 6, 7, 8, 9en 11, en moeten in elk geval voor 1 januari 2006 voldoen aan de eisen vermeld in de artikelen 4en 10.