Als exameninstituut, verantwoordelijk voor de organisatie en de certificering van de examens, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van verordening 1071/2009/EG, wordt aangewezen het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
Als getuigschrift, bedoeld in artikel 28, eerste lid, onder a, van het Besluit personenvervoer 2000, worden erkend:
a. het door het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen afgegeven getuigschrift examen vakbekwaamheid voor het verrichten van taxivervoer;
b. het getuigschrift, bedoeld in artikel 27 van het Besluit personenvervoer 2000.
Bij de aanvraag voor de afgifte van een EG-verklaring taxivervoer worden overgelegd:
a. een gewaarmerkt afschrift van een voor het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht afgegeven certificaat als bedoeld in artikel 9, onderdeel d, en onderdeel e, 3°, van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties;
b. voorzover mogelijk, het programma van opleiding tot het beroep van vervoerder die taxivervoer verricht.
Onze Minister verstrekt een EU-verklaring taxivervoer:
a. indien ten genoegen van Onze Minister is aangetoond dat de door de aanvrager genoten opleiding niet wezenlijk verschilt van de in Nederland voorgeschreven opleiding;
b. ingeval de door de aanvrager genoten opleiding naar het oordeel van Onze Minister wezenlijk verschilt van de in Nederland voorgeschreven opleiding, nadat, naar keuze, een proeve van bekwaamheid is afgelegd, onderscheidenlijk een aanpassingsstage is gevolgd, in de zin van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties; of
c. ingeval de aanvrager geen opleiding heeft genoten en tijdens de 10 jaar voorafgaande aan de aanvraag gedurende 3 aangesloten jaren voltijds dan wel een gelijkwaardige periode deeltijds het beroep vervoerder die taxivervoer verricht heeft uitgeoefend, nadat, naar de keuze van Onze Minister, een proeve van bekwaamheid is afgelegd, onderscheidenlijk een aanpassingsstage is gevolgd, in de zin van artikel 11 van de Algemene wet erkenning EU-beroepskwalificaties.
1. Bij het beoordelen van de aanvraag, bedoeld in artikel 6, kan Onze Minister advies inwinnen bij het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.
2. Het advies, bedoeld in het eerste lid, bevat een aanduiding van de wezenlijke verschillen waarop de proeve van bekwaamheid onderscheidenlijk de aanpassingsstage betrekking dient te hebben, alsmede, in geval van een aanpassingsstage, een aanduiding van de duur daarvan.
Vrijstelling wordt verleend van:
a. artikel 76, derde lid, van de Wet personenvervoer 2000, en
b. de in artikel 76, vierde lid, van de Wet personenvervoer 2000 bedoelde eis van vakbekwaamheid.