BWBR0011825
Geldig vanaf 2012-06-29
Artikel 3.101a
Vreemdelingenbesluit 2000
1. Indien de eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd is afgewezen, wordt iedere daarop volgende aanvraag tot het verlenen van een dergelijke verblijfsvergunning voor hetzelfde verblijfsdoel aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van de <a href="/wet/BWBR0011018" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">rijen A75, A76, A77, A78, A79 en A80 van de bijlage bij het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000</a>.
2. Indien na afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend, wordt iedere daarop volgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van die gronden aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van de <a href="/wet/BWBR0011018" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">rijen A75, A76, A77, A78, A79 en A80 van de bijlage bij het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000</a>.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing, indien na intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onderscheidenlijk bij afwijzing van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan, ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend.
2. Indien na afwijzing van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend, wordt iedere daarop volgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op een van die gronden aangemerkt als een tweede of volgende aanvraag in de zin van de <a href="/wet/BWBR0011018" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">rijen A75, A76, A77, A78, A79 en A80 van de bijlage bij het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000</a>.
3. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing, indien na intrekking van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onderscheidenlijk bij afwijzing van een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur ervan, ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend op een van de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, dan wel na toetsing aan de gronden, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid, niet ambtshalve een verblijfsvergunning is verleend.