1. Het bevoegd gezag van een instelling heeft aanspraak op een aanvullende vergoeding voor het gebruik van ICT, ten behoeve van kwaliteitsverbetering en innovatie van het onderwijs.
2. De vergoeding bedraagt f 161,- per leerling.
3. Voor de aanvullende vergoeding wordt uitgegaan van:
a. het aantal leerlingen dat op 1 oktober 1999 stond ingeschreven bij het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs-groen;
b. het aantal leerlingen dat op 1 oktober 1998 stond ingeschreven bij beroepsopleidende leerweg;
c. 35% van het aantal leerlingen dat op 1 oktober 1998 stond ingeschreven bij de beroepsbegeleidende leerweg.
4. Ingeval van samenvoeging van twee of meer instellingen wordt voor de vaststelling van de aanvullende vergoeding uitgegaan van de som van de leerlingen van de betreffende instellingen.
1. De minister zendt het bevoegd gezag van een instelling uiterlijk 31 december 2000 een beschikking omtrent de vaststelling van de aanvullende vergoeding, bedoeld in artikel 2.
2. Voor de toekenning van de aanvullende vergoeding behoeft het bevoegd gezag van de instelling geen aanvraag in te dienen.
3. Betaling van de aanvullende vergoeding vindt uiterlijk 31 december plaats.
Het bevoegd gezag van de instelling verantwoordt de besteding van de aanvullende vergoeding afzonderlijk in de jaarrekening van de instelling met inachtneming van de hierop van toepassing zijnde voorschriften.