Artikel 1
1. Raadpleging van bescheiden die betrekking hebben op nog levende personen, zoals vermeld in de inventarisnummers 1 tot en met 1984 is slechts mogelijk na ondertekening door de onderzoeker van het door het Algemeen Rijksarchief gehanteerde Formulier voor toestemming tot raadpleging van niet-openbare archieven; een exemplaar van dit formulier is als bijlagebij dit besluit gevoegd.
2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien:
a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf;
b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden;
c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage;
d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen.
3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken.
2. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege blijven indien:
a. de onderzoeker inzage vraagt in een dossier dat betrekking heeft op hemzelf;
b. de onderzoeker kan aantonen dat de persoon in wiens dossier hij inzage wil hebben is overleden;
c. de onderzoeker een verklaring kan overleggen waaruit blijkt dat de persoon op wie een dossier betrekking heeft toestemming geeft voor inzage;
d. er in de gevraagde dossiers geen namen van nog levende personen voorkomen.
3. Het formulier, bedoeld in het eerste lid, blijft achterwege indien een periode van 75 jaar na afsluiting van het betrokken dossier is verstreken.