1. De commissie heeft tot taak de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer - verder te noemen: de Minister - te adviseren met betrekking tot de inhoud van de ingevolge
artikel 14, tweede lid, van de Experimentenwet Stad en Milieuaan de Staten-Generaal uit te brengen verslagen over de doeltreffendheid en de effecten van de
Experimentenwet Stad en Milieu- verder te noemen: de wet - in de praktijk. Bij het advies met betrekking tot de inhoud van het verslag dat binnen zes jaar na inwerkingtreding van de wet aan de Staten-Generaal zal worden uitgebracht, betrekt de commissie in ieder geval de werkingsduur van de wet en de gevolgen daarvan.
2. Voorts kan de commissie - op eigen initiatief of op verzoek van de Minister - de Minister adviseren over mogelijkheden tot verbetering van het beleid of de regelgeving op het terrein van milieubeheer, ruimtelijke ordening en volkshuisvesting, verbandhoudende met de onderwerpen van de wet.
3. Met het oog op het uitoefenen van haar taak stelt de commissie, in overeenstemming met de Minister, een werkplan vast. Het eerste werkplan wordt uiterlijk op 1 november 2000 vastgesteld. Het tweede werkplan wordt uiterlijk op 1 juli 2002 vastgesteld.
4. De commissie stelt het werkplan vast in overeenstemming met de Minister.
5. De commissie kan te allen tijde, met instemming van de Minister, besluiten een werkplan te wijzigen, indien hiervoor gegronde redenen bestaan.