1. De buitengewoon opsporingsambtenaar is bevoegd tot het opsporen van de feiten strafbaar gesteld bij of krachtens:
a. de Jachtwet, de Visserijwet 1963, de Vogelwet/het Vogelbesluit, de Boswet (waaronder Kapverordening); de Ontgrondingenwet, de Plantenziektewet, de Natuurbeschermingswet/ Natuurschoonwet 1928 (Flora en Faunawet), de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantesoorten, de Wet milieubeheer: art. 1 Wet verontreiniging oppervlaktewateren, de Grondwaterwet, de Wet bodembescherming, de Wet vervoer milieugevaarlijke stoffen (afsteken vuurwerk buitengebied), de artikelen 5a t/m 8c van het Besluit gebruik dierlijke meststoffen;
b. de Verordening bescherming bodem- en grondwater; de Provinciale verordening Stiltegebieden in Noord-Holland; de diverse Keuren van de Hoogheemraadschappen en Waterschappen in de provincie Noord-Holland; de APV van elke gemeente waarin de NV PWN gronden in beheer heeft en/of andere (provinciale) verordeningen, voorzover de in dit besluit bedoelde buitengewoon opsporingsambtenaar daarvoor door het bevoegde/verordonnerende bestuursorgaan is aangewezen;
c. de Wegenverkeerswet 1994; de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM), in verband met onverzekerd crossen;
d. de artikelen 141, 157, 158, 161 t/m 163, 173a, 173b, 179, 180, 184, 239, 350 t/m 352, 435 lid 4, alsmede Boek 2, Titel XXII; Boek 3; Titels I en VII, van het Wetboek van Strafrecht;
e. de Wet op de economische delicten, voorzover het feiten betreft waarvoor in dit besluit en binnen de op grond van dit besluit uit te vaardigen 'akten' opsporingsbevoegdheid is verleend.
2. De opsporingsbevoegdheid geldt voor het grondgebied in eigendom van de Provincie Noord-Holland en in beheer bij de N.V. PWN Waterleidingbedrijf Noord-Holland, welk grondgebied valt binnen de politieregio's Kennemerland en Noord-Holland Noord.