BWBR0011453
Geldig vanaf 2020-08-01
Artikel 2.17
Wet studiefinanciering 2000
1. Een student wiens vrijheid voor ten minste een maand rechtens is ontnomen, heeft, behoudens in de gevallen, bedoeld in de <a href="/wet/BWBR0040635" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg</a>, in de <a href="/wet/BWBR0040632" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten</a>en in <a href="/wet/BWBR0040634/artikel/2.3" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 2.3 van de Wet forensische zorg</a>en de gevallen, bedoeld in <a href="/wet/BWBR0034925" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk 6 van de Jeugdwet</a>, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de vrijheidsontneming ten minste één maand heeft geduurd slechts aanspraak op studiefinanciering voor een thuiswonende student.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.
2. Voor de toepassing van het eerste lid worden perioden van vrijheidsontneming samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.
3. Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen groepen van personen waarbij tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel buiten een justitiële inrichting plaatsvindt.