BWBR0011353
Geldig vanaf 2012-12-20
Artikel 5.31
Wet inkomstenbelasting 2001
1. De waarde van bezittingen en schulden wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van afdeling 5.4en de daarop berustende bepalingen, met dien verstande dat de waarde van een woning wordt bepaald op basis van het tweede tot en met vijfde lid.
2. De waarde van een woning:
a. aan het begin van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het kalenderjaar vastgestelde waarde;
b. aan het einde van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde of, indien het derde lid van toepassing is, op de waarde die op grond van het derde lid aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen;
c. op een ander tijdstip in het kalenderjaar: wordt gesteld op de waarde, bedoeld in onderdeel a, vermeerderd met een tijdsevenredige waardemutatie die wordt berekend door het verschil tussen de waarde, bedoeld in onderdeel b, en de waarde, bedoeld in onderdeel a, te delen door het totale aantal dagen van het kalenderjaar en te vermenigvuldigen met het aantal dagen dat op dat tijdstip is verstreken sinds het begin van het kalenderjaar.
3. Indien <a href="/wet/BWBR0007119/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18, derde lid, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken</a>vanwege een uitbreiding of verbetering van een woning wordt toegepast of op overeenkomstige wijze wordt toegepast bij het bepalen van de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde, wordt als waarde aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking genomen de waarde die zonder die uitbreiding of verbetering van de woning op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, zou zijn vastgesteld voor het daaropvolgende kalenderjaar.
4. Artikel 5.20, derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. de betreffende waarde van de woning wordt gesteld op het percentage, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, eerste zin, van de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning;
b. de berekening van dat percentage wordt gebaseerd op de hoogte van de huur of de pacht zoals die geldt op het tijdstip waarvoor de betreffende waarde geldt.
5. Artikel 5.20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning wordt verminderd met de waarde van de erfpachtcanon, bedoeld in artikel 5.20, vierde lid.
2. De waarde van een woning:
a. aan het begin van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het kalenderjaar vastgestelde waarde;
b. aan het einde van het kalenderjaar: wordt gesteld op de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor die woning voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde of, indien het derde lid van toepassing is, op de waarde die op grond van het derde lid aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking wordt genomen;
c. op een ander tijdstip in het kalenderjaar: wordt gesteld op de waarde, bedoeld in onderdeel a, vermeerderd met een tijdsevenredige waardemutatie die wordt berekend door het verschil tussen de waarde, bedoeld in onderdeel b, en de waarde, bedoeld in onderdeel a, te delen door het totale aantal dagen van het kalenderjaar en te vermenigvuldigen met het aantal dagen dat op dat tijdstip is verstreken sinds het begin van het kalenderjaar.
3. Indien <a href="/wet/BWBR0007119/artikel/18" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 18, derde lid, onderdeel b, van de Wet waardering onroerende zaken</a>vanwege een uitbreiding of verbetering van een woning wordt toegepast of op overeenkomstige wijze wordt toegepast bij het bepalen van de op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, voor het daaropvolgende kalenderjaar vastgestelde waarde, wordt als waarde aan het einde van het kalenderjaar in aanmerking genomen de waarde die zonder die uitbreiding of verbetering van de woning op grond van artikel 5.20, eerste of tweede lid, zou zijn vastgesteld voor het daaropvolgende kalenderjaar.
4. Artikel 5.20, derde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:
a. de betreffende waarde van de woning wordt gesteld op het percentage, bedoeld in artikel 5.20, derde lid, eerste zin, van de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning;
b. de berekening van dat percentage wordt gebaseerd op de hoogte van de huur of de pacht zoals die geldt op het tijdstip waarvoor de betreffende waarde geldt.
5. Artikel 5.20, vierde lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de met toepassing van het tweede lid berekende waarde van de woning wordt verminderd met de waarde van de erfpachtcanon, bedoeld in artikel 5.20, vierde lid.