BWBR0011353
Geldig vanaf 2012-12-20
Artikel 5.25
Wet inkomstenbelasting 2001
1. Indien de belastingplichtige aannemelijk maakt dat het werkelijke rendement van bezittingen en schulden lager is dan het voordeel uit sparen en beleggen, wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen in afwijking van artikel 5.1gesteld op het werkelijke rendement van bezittingen en schulden, verminderd met de persoonsgebonden aftrek ( hoofdstuk 6).
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het werkelijke rendement van bezittingen en schulden ten minste op nihil gesteld.
3. Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van een minderjarig kind wordt overeenkomstig artikel 2.15toegerekend aan de ouder of ouders.
4. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17geacht wordt te hebben gehad, wordt het aan hem toegerekende gedeelte van het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden bij hem in aanmerking genomen als het werkelijke rendement van bezittingen en schulden. Deze toerekening geschiedt naar rato van de voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen toegepaste toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.
5. Het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van de belastingplichtige en zijn partner tezamen.
6. In afwijking van de <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 4:1</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4:2, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/6:4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">6:4, eerste lid</a>en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/6:5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>maakt de belastingplichtige bij een beroep op de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement gebruik van een door de inspecteur ter beschikking te stellen formulier.
7. Ter aanvulling op het ter beschikking gestelde formulier kunnen tot zes weken na verzending van het formulier nadere stukken ingediend worden.
8. Het zesde en zevende lid is niet van toepassing indien de gegevens voor de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement door de inspecteur zijn gevraagd als onderdeel van de uitnodiging tot het doen van aangifte.
2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt het werkelijke rendement van bezittingen en schulden ten minste op nihil gesteld.
3. Het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van een minderjarig kind wordt overeenkomstig artikel 2.15toegerekend aan de ouder of ouders.
4. Indien de belastingplichtige het gehele kalenderjaar dezelfde partner heeft of voor de toepassing van artikel 2.17geacht wordt te hebben gehad, wordt het aan hem toegerekende gedeelte van het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden bij hem in aanmerking genomen als het werkelijke rendement van bezittingen en schulden. Deze toerekening geschiedt naar rato van de voor de bepaling van het voordeel uit sparen en beleggen toegepaste toerekening van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen.
5. Het gezamenlijke werkelijke rendement van bezittingen en schulden is het werkelijke rendement van bezittingen en schulden van de belastingplichtige en zijn partner tezamen.
6. In afwijking van de <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:1" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 4:1</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/4:2" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">4:2, eerste lid</a>, <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/6:4" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">6:4, eerste lid</a>en <a href="/wet/BWBR0005537/artikel/6:5" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">6:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht</a>maakt de belastingplichtige bij een beroep op de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement gebruik van een door de inspecteur ter beschikking te stellen formulier.
7. Ter aanvulling op het ter beschikking gestelde formulier kunnen tot zes weken na verzending van het formulier nadere stukken ingediend worden.
8. Het zesde en zevende lid is niet van toepassing indien de gegevens voor de tegenbewijsregeling op basis van het werkelijke rendement door de inspecteur zijn gevraagd als onderdeel van de uitnodiging tot het doen van aangifte.