BWBR0011353
Geldig vanaf 2012-12-20
Artikel 4.17b
Wet inkomstenbelasting 2001
1. De verdeling van een nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater, wordt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet als vervreemding aangemerkt, mits de verkrijger binnenlands belastingplichtige is en de verkregen aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren.
2. De in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c, opgenomen voorwaarde dat de verkrijger een binnenlands belastingplichtige moet zijn geldt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet indien de overgang krachtens erfrecht op de niet in Nederland wonende verkrijger binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wordt gevolgd door een verdeling van de nalatenschap voor zover daarbij de verkregen aandelen worden toegedeeld aan een binnenlandse belastingplichtige waarbij deze aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren.
3. Indien ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wijziging komt in de gerechtigdheid tot preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, of een vordering als bedoeld in artikel 4.17a, dertiende lid, vindt artikel 4.17a op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden toepassing op basis van de aldus ontstane gerechtigdheid.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.
2. De in artikel 4.17a, eerste lid, onderdeel c, opgenomen voorwaarde dat de verkrijger een binnenlands belastingplichtige moet zijn geldt op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden niet indien de overgang krachtens erfrecht op de niet in Nederland wonende verkrijger binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wordt gevolgd door een verdeling van de nalatenschap voor zover daarbij de verkregen aandelen worden toegedeeld aan een binnenlandse belastingplichtige waarbij deze aandelen of winstbewijzen geen deel uitmaken van het vermogen van een voor zijn rekening gedreven onderneming en niet tot het resultaat uit een werkzaamheid van hem behoren.
3. Indien ten gevolge van de verdeling van de nalatenschap binnen twee jaren na het overlijden van de erflater wijziging komt in de gerechtigdheid tot preferente aandelen als bedoeld in artikel 4.17a, derde lid, of een vordering als bedoeld in artikel 4.17a, dertiende lid, vindt artikel 4.17a op verzoek van de gezamenlijke belanghebbenden toepassing op basis van de aldus ontstane gerechtigdheid.
4. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de toepassing van dit artikel.