BWBR0011353
Geldig vanaf 2012-12-20
Artikel 3.98
Wet inkomstenbelasting 2001
1. Indien vermogensbestanddelen als bedoeld in artikel 3.92niet langer door de belastingplichtige ter beschikking worden gesteld aan de vennootschap in verband met de toepassing van <a href="/wet/BWBR0002672/artikel/14c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969</a>maar onderdeel gaan uitmaken van de onderneming van de vennootschap die door hem wordt voortgezet, wordt, op verzoek van de belastingplichtige, de daarmee behaalde stakingswinst niet in aanmerking genomen voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat. In dat geval wordt bij de onderneming de boekwaarde van de vermogensbestanddelen gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid.
2. Indien een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 3.92niet langer door de belastingplichtige ter beschikking wordt gesteld aan de vennootschap in verband met de toepassing van <a href="/wet/BWBR0002672/artikel/14c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969</a>en onderdeel gaat uitmaken van de onderneming van de vennootschap die door de echtgenoot wordt voortgezet, wordt op verzoek van de belastingplichtige en zijn echtgenoot de daarmee behaalde stakingswinst niet in aanmerking genomen voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat. In dat geval wordt bij de onderneming van de echtgenoot de boekwaarde van het vermogensbestanddeel gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid van de belastingplichtige.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot fiscale reserves als bedoeld in artikel 3.53alsmede voorzieningen die in overeenstemming met artikel 3.25zijn gevormd bij de bepaling van het resultaat uit de werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of voorziening is overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd.
2. Indien een vermogensbestanddeel als bedoeld in artikel 3.92niet langer door de belastingplichtige ter beschikking wordt gesteld aan de vennootschap in verband met de toepassing van <a href="/wet/BWBR0002672/artikel/14c" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 14c van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969</a>en onderdeel gaat uitmaken van de onderneming van de vennootschap die door de echtgenoot wordt voortgezet, wordt op verzoek van de belastingplichtige en zijn echtgenoot de daarmee behaalde stakingswinst niet in aanmerking genomen voor het bepalen van het in het jaar uit de werkzaamheid genoten resultaat. In dat geval wordt bij de onderneming van de echtgenoot de boekwaarde van het vermogensbestanddeel gesteld op de boekwaarde daarvan bij de werkzaamheid van de belastingplichtige.
3. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot fiscale reserves als bedoeld in artikel 3.53alsmede voorzieningen die in overeenstemming met artikel 3.25zijn gevormd bij de bepaling van het resultaat uit de werkzaamheid. Degene naar wie de reserve of voorziening is overgegaan, wordt geacht in de plaats te zijn getreden van degene die de reserve of voorziening heeft gevormd.