BWBR0011353
Geldig vanaf 2012-12-20
Artikel 3.112
Wet inkomstenbelasting 2001
1. De voordelen uit eigen woning worden bij een eigenwoningwaarde van:
[tabel]
2. De eigenwoningwaarde is de volgens <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken</a>voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007119/artikel/16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken</a>, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning.
3. Met betrekking tot de eigen woning ter zake waarvan het tweede lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken</a>vastgestelde waarde, is de eigenwoningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0007119/artikel/16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 16 tot en met 18</a>en <a href="/wet/BWBR0007119/artikel/20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">20, tweede lid, van die wet</a>en van het tweede lid, tweede volzin.
4. De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil.
5. De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 0,55% van de eigenwoningwaarde. In afwijking van de eerste volzin, worden bij een eigenwoningwaarde van meer dan € 1.330.000 de voordelen gesteld op € 7.315 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.330.000.
6. Met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, wordt de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum van de periode waarover de voordelen uit die eigen woning in aanmerking worden genomen gesteld op de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum waarop het adres van de desbetreffende eigen woning als woonadres van de belastingplichtige is opgenomen in de basisregistratie personen. De eerste volzin is niet van toepassing indien registratie van de belastingplichtige op het adres van de eigen woning in de basisregistratie personen niet mogelijk is of indien artikel 3.111, achtste lid, toepassing vindt.
[tabel]
2. De eigenwoningwaarde is de volgens <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken</a>voor die woning vastgestelde waarde of waarden voor het kalenderjaar. Indien een eigen woning deel uitmaakt van een onroerende zaak als bedoeld in <a href="/wet/BWBR0007119/artikel/16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikel 16 van de Wet waardering onroerende zaken</a>, wordt de eigenwoningwaarde gesteld op het gedeelte van de waarde van de onroerende zaak dat kan worden toegekend aan de woning.
3. Met betrekking tot de eigen woning ter zake waarvan het tweede lid geen toepassing kan vinden door het ontbreken van een op grond van <a href="/wet/BWBR0007119" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken</a>vastgestelde waarde, is de eigenwoningwaarde de waarde van de woning die wordt bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij of krachtens de <a href="/wet/BWBR0007119/artikel/16" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">artikelen 16 tot en met 18</a>en <a href="/wet/BWBR0007119/artikel/20" class="text-primary-600 hover:text-primary-700 underline decoration-primary-300">20, tweede lid, van die wet</a>en van het tweede lid, tweede volzin.
4. De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, tweede en derde lid, worden gesteld op nihil.
5. De voordelen uit een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, zesde lid, worden gesteld op 0,55% van de eigenwoningwaarde. In afwijking van de eerste volzin, worden bij een eigenwoningwaarde van meer dan € 1.330.000 de voordelen gesteld op € 7.315 vermeerderd met 2,35% van de eigenwoningwaarde voor zover deze uitgaat boven € 1.330.000.
6. Met betrekking tot een eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, eerste lid, wordt de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum van de periode waarover de voordelen uit die eigen woning in aanmerking worden genomen gesteld op de aanvangsdatum, onderscheidenlijk de einddatum waarop het adres van de desbetreffende eigen woning als woonadres van de belastingplichtige is opgenomen in de basisregistratie personen. De eerste volzin is niet van toepassing indien registratie van de belastingplichtige op het adres van de eigen woning in de basisregistratie personen niet mogelijk is of indien artikel 3.111, achtste lid, toepassing vindt.