BWBR0011353
Geldig vanaf 2012-12-20
Artikel 3.103
Wet inkomstenbelasting 2001
Tot de periodieke uitkeringen en verstrekkingen die worden ontvangen op grond van een publiekrechtelijke regeling behoren:
a. uitkeringen uit vrijwillige verzekering op grond van de artikelen 35 of 38 van de Algemene Ouderdomswet en de artikelen 63a, 63d of 66a, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet;
b. uitkeringen aan gemoedsbezwaarden op grond van artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet;
c. uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
d. uitkeringen in verband met de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd op grond van een regeling op grond van de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies;
e. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en d.
a. uitkeringen uit vrijwillige verzekering op grond van de artikelen 35 of 38 van de Algemene Ouderdomswet en de artikelen 63a, 63d of 66a, derde lid, van de Algemene nabestaandenwet;
b. uitkeringen aan gemoedsbezwaarden op grond van artikel 48 van de Algemene Ouderdomswet;
c. uitkeringen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;
d. uitkeringen in verband met de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd op grond van een regeling op grond van de artikelen 3 en 9 van de Kaderwet SZW-subsidies;
e. uitkeringen op grond van buitenlandse regelingen die naar aard en strekking overeenkomen met uitkeringen als bedoeld in de onderdelen a, b, c en d.