1. Op de uitkeringsgerechtigde die op ten minste twaalf uur per kalenderweek onbeloonde werkzaamheden gaat verrichten uit hoofde waarvan hij op grond van de
WWniet als werknemer wordt beschouwd zijn de
artikelen 8, eerste lid, van de WWen
20, eerste lid, onderdeel b, in samenhang met de onderdelen b van het derde tot en met vijfde lid, van die wettijdelijk niet van toepassing indien:
a. de uitkeringsgerechtigde voor aanvang van de werkzaamheden aan het UWV mededeling doet van de omstandigheid dat hij deze zal gaan verrichten;
b. de natuurlijke persoon voor wie, of het lichaam waarvoor, de werkzaamheden worden verricht een aansprakelijkheids- en ongevallenverzekering ten behoeve van de uitkeringsgerechtigde heeft afgesloten;
c. er, naar het oordeel van het UWV, een reëel uitzicht is op een op de onbeloonde werkzaamheden aansluitende dienstbetrekking van dezelfde of grotere omvang voor ten minste zes maanden;
d. de uitkeringsgerechtigde niet eerder werkzaamheden heeft verricht voor dezelfde natuurlijke persoon of hetzelfde lichaam of diens rechtsvoorganger ter zake waarvan dit besluit toepassing heeft gevonden;
e. de aanvang van de werkzaamheden is gelegen voor de afloop van het kwartaal, volgend op het kwartaal waarin het aantal uitkerings-gerechtigden op wie, op grond van dit besluit, de in de aanhef genoemde artikelen tijdelijk buiten toepassing zijn of zijn geweest, de duizend heeft bereikt.
2. De in het eerste lid genoemde artikelleden en artikelonderdelen blijven buiten toepassing over een aaneengesloten periode van drie maanden of zoveel korter als de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, worden verricht.
3. Indien de werkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, wegens ziekte worden onderbroken, wordt de periode waarin een uitkering bij ziekte wordt ontvangen, voor de toepassing van het tweede lid buiten beschouwing gelaten.