1.
Artikel 9, tweede, derde en vierde lid, van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwet, zoals dat luidde voor de inwerkingtreding van deze regeling, blijft van toepassing ten aanzien van verzekeraars die aan die bepaling voordien toepassing gaven met betrekking tot verzekeringsovereenkomsten als bedoeld in
artikel 2, vierde lid, onder B en onder C, van de Pensioen- en spaarfondsenweten wel in de gevallen en gedurende de termijn die daarvoor al waren vastgesteld, doch in elk geval niet langer dan gedurende tien jaar na het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling en met dien verstande dat de financiering ingevolge die bepalingen ten minste in gelijke delen per kalenderjaar plaatsvindt.
2. In afwijking van het eerste lid mag de financiering van het deel dat op grond van het eerste lid in het eerste kalenderjaar na inwerkingtreding van deze regeling gefinancierd moet worden, worden uitgesteld tot in het tweede kalenderjaar na inwerkingtreding van deze regeling.
3. Voorzover op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling niet wordt voldaan aan
artikel 9a van de Regelen verzekeringsovereenkomsten Pensioen- en spaarfondsenwetkan, in afwijking van dat artikel, de financiering die benodigd is om aan dat artikel te voldoen plaatsvinden in het tweede kalenderjaar na inwerkingtreding van deze regeling.
4. De Pensioen- & Verzekeringskamer kan toestaan dat, in afwijking van het eerste lid, een verzekeraar gedurende een langere periode dan daar bedoeld, maar niet langer dan gedurende vijftien jaar, toepassing geeft aan de daar genoemde bepalingen, voorzover dat noodzakelijk is ter voorkoming van onaanvaardbare financiële gevolgen voor de betrokken verzekeraar of de betrokken werkgever.
5. In afwijking van
artikel 8:7 van de Algemene wet bestuursrechtis voor beroepen tegen besluiten op grond van het vierde lid de rechtbank te Rotterdam bevoegd.