1. Het tijdstip, bedoeld in
artikel 8b, eerste lid, van de Ziektewet, is het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in
artikel 48 van de wet.
2. In afwijking van het eerste lid is het tijdstip, bedoeld in
artikel 8b, eerste lid, van de Ziektewet, voor de overheidswerknemers die op de dag voorafgaande aan het tijdstip van aanvang van fase 2, bedoeld in
artikel 48 van de wet, uit hoofde van hun dienstverband recht hebben op bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte, waarvan de uitkeringsduur niet verstrijkt op dat tijdstip, het tijdstip waarop de bezoldiging of uitkering ingeval van ziekte eindigt, doch in ieder geval het tijdstip van aanvang van fase 3, bedoeld in
artikel 49 van de wet.
3. In afwijking van het eerste en het tweede lid kan, bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, voor groepen van overheidswerknemers als bedoeld in
artikel 8b, eerste lid, onderdeel a, van de Ziektewet, alsmede voor groepen van overheidswerknemers en gewezen overheidswerknemers met recht op een uitkering op grond van de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringals bedoeld in
artikel 8b, eerste lid, onderdeel b, van de Ziektewet, een ander tijdstip worden vastgesteld.
4. Bij regeling van Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties kunnen nadere en, zo nodig, tijdelijk van de
Ziektewetafwijkende regels worden gesteld.