1. Indien in de
Wet Luchtvaartgeregelde onderwerpen in het belang van een goede invoering van die wet nadere regeling behoeven, dan wel indien de afstemming van de
Wet Luchtvaartnadere regeling behoeft, kan deze geschieden bij ministeriële regeling van Onze Minister van Verkeer en Waterstaat respectievelijk van Onze minister van Defensie.
2. Bij de in het eerste lid bedoelde regeling kan, indien dit voor de goede invoering of voor de afstemming noodzakelijk is, tijdelijk worden afgeweken van de
Wet Luchtvaartof van de
Luchtvaartwet, dan wel van een op een van beide wetten steunende algemene maatregel van bestuur. Zo spoedig mogelijk na de publicatie in de Staatscourant van een ministeriële regeling als bedoeld in de eerste volzin wordt een voorstel van wet ingediend respectievelijk een ontwerp van een algemene maatregel van bestuur bij de Raad van State aanhangig gemaakt.