1. De korpsbeheerder draagt zorg voor de regelmatige evaluatie van de kwaliteitszorg van het politiekorps. De evaluatie bestaat uit het op systematische en onderling vergelijkbare wijze uitvoeren van:
a. zelfevaluaties van korpsonderdelen,
b. korpsonderzoeken, en
c. visitaties.
2. De korpsbeheerder draagt ervoor zorg dat elk korpsonderdeel eenmaal per twee jaar een zelfevaluatie uitvoert.
3. De korpsbeheerder draagt ervoor zorg dat het politiekorps in het jaar voorafgaand aan een visitatie, een korpsonderzoek laat uitvoeren door daarvoor gekwalificeerde ambtenaren van politie als bedoeld in
artikel 3 van de Politiewet 1993, die niet in dienst zijn van het eigen politiekorps.
4. De korpsbeheerder draagt ervoor zorg dat het politiekorps eenmaal per vier jaar en binnen een jaar na een korpsonderzoek een visitatie laat uitvoeren door een visitatiecommissie. De visitatiecommissie bestaat in ieder geval uit:
a. een korpsbeheerder van een ander politiekorps,
b. een korpschef van een ander politiekorps,
c. een hoofdofficier van justitie die ten aanzien van het politiekorps niet optreedt als hoofdofficier in de zin van de Politiewet 1993, bedoeld in artikel 1, tweede lid, van die wet, en
d. een externe deskundige. De visitatiecommissie doet voorstellen ter verbetering van de kwaliteitszorg.
5. Het rapport van de visitatiecommissie wordt met de daaraan ten grondslag liggende rapportage van het korpsonderzoek, samen met de visie van de korpsbeheerder op het visitatierapport, aangeboden aan Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.