1. De kamer van toezicht houdt een register, in verband met de afgifte van tuchtrechtelijke verklaringen op grond van de
artikelen 6, tweede lid, onderdeel c, 2°, van de weten de verstrekking van inlichtingen in verband met een verzoek om benoeming tot notaris op grond van
artikel 8, tweede lid, van de wet. Daarin worden de in haar rechtsgebied werkzame kandidaat-notarissen opgenomen met hun namen en de datum en plaats van hun geboorte en daarin wordt tevens aantekening gehouden van de datum van aanvaarding van hun werkzaamheden op een notariskantoor, de naam en plaats van vestiging van dat kantoor en de datum van beëindiging van die werkzaamheden.
2. In het register wordt aantekening gehouden van de tuchtmaatregelen die de kandidaat-notaris op grond van
artikel 103 van de wetdoor de kamer van toezicht zijn opgelegd en de datum en het nummer van de daarop betrekking hebbende beslissing. Voorts wordt aantekening gehouden van elke tegen een kandidaat-notaris gerezen bedenking, die door de kamer van toezicht gegrond is verklaard zonder oplegging van een maatregel en de datum en het nummer van de daarop betrekking hebbende beslissing.
3. Indien ten nadele van een kandidaat-notaris bepaalde feiten of omstandigheden ter kennis van de kamer van toezicht zijn gekomen, die naar haar oordeel zouden kunnen leiden tot weigering van een verzoek om benoeming tot notaris, maar die niet hebben geleid tot het opleggen van een tuchtmaatregel of tot gegrondverklaring van een tegen de kandidaat-notaris gerezen bedenking, wordt daarvan in het register aantekening gehouden. Dit geschiedt niet voordat de kandidaat-notaris daarover is gehoord dan wel daartoe behoorlijk is opgeroepen. De oproeping wordt ten minste twee weken voor de dag van het horen verstuurd. In de oproepingsbrief wordt van het feit dat in het register wordt aangetekend melding gemaakt.
4. Indien de in het derde lid bedoelde feiten bij rechterlijke of andere krachtens wettelijk voorschrift genomen ambtelijke beslissing zijn vastgesteld, wordt de kandidaat-notaris daarover door de kamer van toezicht niet gehoord, maar wordt de aantekening van de feiten in het register aan de kandidaat-notaris bekendgemaakt.
5. Uit het register alsmede uit de daaruit te verstrekken uittreksels moet blijken, dat het verhoor of de oproeping daartoe, bedoeld in het derde lid, en de bekendmaking bedoeld in het vierde lid, hebben plaatsgevonden.