1. Onze Minister kan een ontheffing, verleend op grond van
artikel 15, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998, zoals dat gold op het tijdstip van plaatsing van deze wet in het Staatsblad, intrekken, indien de ontheffing op grond van
artikel 15, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van Artikel I, onderdeel F, van deze wet, niet zou zijn verleend.
2. De rechtspersoon wiens ontheffing met toepassing van het eerste lid is ingetrokken, doet binnen vier weken een aanvraag voor een ontheffing als bedoeld in
artikel 15, tweede lid, van de Elektriciteitswet 1998, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van Artikel I, onderdeel F, van deze wet, dan wel wijst binnen vier weken een andere rechtspersoon als netbeheerder aan met inachtneming van de
artikelen 10 tot en met 13 van de Elektriciteitswet 1998.
3. Indien de rechtspersoon, bedoeld in het tweede lid, op grond van de
artikelen 65 van de Elektriciteitswet 1998en 2 en 8 van het Besluit kostenverhaal Elektriciteitswet 1998, een vergoeding heeft betaald voor het verlenen van een ontheffing en deze ontheffing is ingetrokken op grond van het eerste lid, is deze rechtspersoon na indiening van de aanvraag voor een ontheffing of het aanwijzen van een netbeheerder op grond van het tweede lid, geen vergoeding verschuldigd voor het verlenen van de ontheffing of van instemming met de aanwijzing van een netbeheerder.
4. Indien de behandeling van aanvragen om een ontheffing is aangehouden totdat deze wet in het Staatsblad is geplaatst, is op die behandeling
artikel 15 van de Elektriciteitswet 1998, zoals dat komt te luiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdeel F, van deze wet, van toepassing.