Artikel 1
De bedragen, genoemd in artikel 8, eerste lid, onder a, b, en c van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslagworden met ingang van 1 juli 1999 onderscheidenlijk als volgt vastgesteld:
a. 2376,40;
b. 548,40;
c. 109,68.
a. 2376,40;
b. 548,40;
c. 109,68.