1. Met ingang van de aanpassingsdatum luiden:
a. het in de artikelen 13a, 58a en 138a, telkens tweede lid, genoemde bedrag: f 7.780,73;
b. het in de artikelen 27a, vierde lid, 27b, derde lid, 73, vierde lid, 73a, derde lid, 150a, vierde lid, en 150b, derde lid genoemde bedrag: f 67.952,13;
c. de bedragen van de artikelen 93 en 94 van de wet, zoals die artikelen luidden op 31 december 1985: artikel 93, eerste, tweede en derde lid: f 172.153,- artikel 94, onder a: f 172.153,- f 122.967,- artikel 94, onder b: f 172.153,- f 24.593,- f 49.184,-;
d. het in artikel 156, tweede lid, van de wet genoemde bedrag: f 30.160,-;
2. Een pensioen dat is toegekend met toepassing van
artikel 38 van de wetbedraagt vanaf de aanpassingsdatum ten hoogste f 50.550,-.
3. Een pensioen dat is toegekend met toepassing van
artikel 83 van de wetbedraagt vanaf de aanpassingsdatum f 2.266,- per lidmaatschapsjaar en ten hoogste f 41.220,-.