1. Ten aanzien van een bedrijfslichaam, ingesteld vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelden de volgende bepalingen.
2. De regeling, waarbij het bedrijfslichaam is ingesteld, blijft van kracht, totdat het wordt ingesteld op de in
artikel 67 van de Wet op de bedrijfsorganisatievoorziene wijze; zodanige instelling geschiedt zodra voor de eerste maal na het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet een wijziging in de betrokken regeling moet worden aangebracht, doch uiterlijk binnen vier jaar na dat tijdstip.
3. De op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet van kracht zijnde verordeningen en andere besluiten van een bedrijfslichaam blijven van kracht. Deze verordeningen vervallen vier jaar na dat tijdstip; dat geldt niet voor verordeningen, opgesteld in het kader van bij of krachtens een wet gevorderde medewerking, tenzij bij of krachtens die wet anders wordt bepaald. Bepalingen in verordeningen omtrent onderwerpen, die geen grondslag meer vinden in het door deze wet gewijzigde
artikel 93, tweede lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie, worden ingetrokken, zodra de betrokken verordening voor de eerste maal na de inwerkingtreding van deze wet wordt gewijzigd dan wel wordt vervangen door een nieuwe verordening.
4. Bepalingen in een verordening, van kracht op het tijdstip van inwerkingtreding van dit lid, waarin tuchtrechtelijke maatregelen zijn gesteld op overtredingen die als strafbare feiten zijn aangewezen, worden aangepast aan het door deze wet gewijzigde
artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatiezodra de betrokken verordening voor de eerste maal na de inwerkingtreding van deze wet wordt gewijzigd dan wel wordt vervangen door een nieuwe verordening. Tot dat tijdstip beslist in dat geval de officier van justitie of een overtreding tuchtrechtelijk zal worden afgedaan; in het bevestigende geval verwijst hij de zaak naar het bevoegde tuchtgerecht.
5. Nadere voorschriften omtrent bij een verordening geregelde onderwerpen als bedoeld in
artikel 95, derde lid, van de Wet op de bedrijfsorganisatie, zoals dat artikel luidde vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijven van kracht, totdat de betrokken verordening voor de eerste maal na de inwerkingtreding van deze wet wordt gewijzigd dan wel wordt vervangen door een nieuwe verordening. Het geven van nieuwe nadere voorschriften of het wijzigen van bestaande nadere voorschriften door andere organen van een bedrijfslichaam dan het bestuur, is na de inwerkingtreding van deze wet niet meer mogelijk.
6. Een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in
artikel 110 van de Wet op de bedrijfsorganisatie, dat is opgericht vóór de inwerkingtreding van deze wet, blijft bestaan. Verordeningen van een orgaan van zo'n lichaam blijven van kracht, totdat de voorziening waarbij het lichaam is ingesteld voor de eerste maal na de inwerkingtreding van deze wet wordt gewijzigd dan wel wordt vervangen door een nieuwe voorziening. Deze verordeningen vervallen uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet; dat geldt niet voor verordeningen, opgesteld in het kader van bij of krachtens een wet gevorderde medewerking, tenzij bij of krachtens die wet anders wordt bepaald. De organen van zo'n lichaam maken na de datum van inwerkingtreding van deze wet geen gebruik meer van hun gedelegeerde bevoegdheid om bij verordening regelen te stellen.
7. Een bedrijfslichaam meldt aan Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, welke rechtspersonen het op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet reeds heeft opgericht en in welke rechtspersonen het op dat tijdstip deelneemt.