In het tijdvak dat loopt van 1 april 1999 tot en met 25 juni 1999 wordt een landbouwtelling gehouden als bedoeld in de artikelen 24en 25 van de Landbouwwet.
1. Ten behoeve van de telling, bedoeld in artikel 2, wordt een beschrijvingsbiljet uitgereikt of verzonden door of vanwege de minister.
2. De opgaveplichtige verstrekt de ten aanzien van de veestapel gevraagde gegevens naar de toestand op 1 april 1999.
3. De opgaveplichtige verstrekt de ten aanzien van oppervlakten gevraagde gegevens naar de toestand op 1 april 1999. Indien een oppervlakte op 1 april nog niet is beteeld, wordt de eerstvolgende geplande teelt opgegeven.
4. Onverminderd het tweede en derde lid, verstrekt de opgaveplichtige de op het beschrijvingsbiljet gevraagde gegevens naar de toestand op de datum van ondertekening, tenzij op het biljet of door LASER anders is aangegeven, en neemt daarbij de overige op het biljet of door LASER gegeven aanwijzingen in acht.
5. De opgaveplichtige ondertekent het beschrijvingsbiljet en doet dat binnen 14 dagen na dagtekening van de aanbieding aan LASER toekomen.
6. Indien het beschrijvingsbiljet aangetekend aan de opgaveplichtige is toegezonden, doet deze dat binnen vijf dagen ingevuld en ondertekend aan LASER toekomen.
1. Voor de bepaling van de bedrijfsomvang geldt dat één Nederlandse grootte-eenheid gelijk is aan 1390 eenheden bruto standaardsaldo.
2. De bruto standaardsaldi respectievelijk de standaard-bedrijfseenheden worden vastgesteld als vermeld in bijlage II.
3. Bruto-standaardsaldi worden overeenkomstig bijlage IIomgerekend in Nederlandse grootte-eenheden.
1. Deze regeling treedt in werking met ingang van de tweede dag na dagtekening van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.
2. Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling landbouwtelling 1999.