1. Een ambtenaar leidt een verzoek om informatie onverwijld ter behandeling door naar de directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden, indien zich een situatie, als bedoeld in het tweede lid van dit artikel, onder a, b, of c, voordoet, of indien uitdrukkelijk een beroep op de
Wet openbaarheid van bestuurgedaan is.
2. De directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden leidt een verzoek om informatie op grond van de
Wet openbaarheid van bestuuronverwijld ter beslissing door naar de gemachtigd ambtenaar, indien hij:
a. van oordeel is, dat het verzoek op grond van de bij of krachtens de wet gestelde regels niet kan worden ingewilligd;
b. weet of redelijkerwijs kan vermoeden, dat de geldende voorschriften ruimte laten voor verschillende benaderingen van de vraag of het verzoek al dan niet behoort te worden ingewilligd;
c. weet of redelijkerwijs kan vermoeden, dat inwilliging of afwijzing van het verzoek belangrijke politieke, bestuurlijke of maatschappelijke gevolgen kan hebben. De directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden zendt gelijktijdig met het verzoek een advies ten aanzien van de behandeling daarvan en zo mogelijk een concept beslissing aan de gemachtigd ambtenaar.
3. Indien een verzoek om informatie op grond van het eerste lid aan de directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden is doorgeleid en de in het tweede lid genoemde criteria niet van toepassing zijn, beslist de directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden op het verzoek om informatie.
4. In afwijking van het bepaalde in het tweede lid, onder a, is de directeur Wetgeving, Bestuurlijke en Juridische Aangelegenheden bevoegd om op een verzoek om informatie te beslissen indien het verzoek gedeeltelijk niet kan worden ingewilligd wegens het voorkomen van persoonsnamen.