Subsidie kan worden verstrekt voor publieksvoorlichting over wetenschap en technologie aan financieel weinig draagkrachtige, onafhankelijke organisaties, die directe publieksvoorlichting over wetenschap en technologie tot hoofdactiviteit hebben. Geen subsidie wordt verstrekt voor beroeps-, studie- of vakgerichte voorlichtingsactiviteiten.
De subsidie wordt verleend voor de uitvoering van een door de minister goedgekeurd werkplan. De subsidie bestaat uit een bedrag per boekjaar van ten hoogste vijftig procent van de jaarbegroting, behorende bij het goedgekeurde werkplan van de aanvrager.
Subsidie wordt slechts verleend aan rechtspersoonlijkheid met volledige rechtsbevoegdheid bezittende, ongebonden organisaties zonder winstoogmerk op het gebied van wetenschaps- en technologievoorlichting met een regionale dan wel landelijke functie, die aantoonbaar tenminste twee jaar voor de aanvraag op het terrein van de wetenschaps- en technologievoorlichting werkzaam zijn geweest.
De subsidieaanvraag omvat:
a. een vierjarenplan, inhoudende de aard en de omvang van de voorgenomen activiteiten en van de beoogde resultaten;
b. een sluitende vierjarenraming, die inzicht geeft in de baten en de lasten van de organisatie. De vierjarenraming is voorzien van een postgewijze toelichting;
c. een werkplan voor het jaar waarop de subsidie betrekking heeft. Daarbij wordt aangegeven welke doelstelling de organisatie met de activiteiten nastreeft, op welke wijze zij worden uitgevoerd en voor welke doelgroep zij zijn bestemd;
d. een sluitende begroting voor het jaar waarop de subsidie betrekking heeft, voorzien van een postgewijze toelichting;
e. een afschrift van de oprichtingsakte of de statuten en een afschrift waaruit de inschrijving van de instelling in het geldende openbaar register blijkt. Overlegging van bedoelde afschriften kan achterwege blijven, indien de aanvrager er redelijkerwijs van uit kan gaan dat deze gegevens aan de minister bekend zijn. In de aanvraag wordt daarvan mededeling gedaan.
1. Subsidie wordt verleend aan de aanvrager wiens aanvraag naar het oordeel van de minister, gelet op de beschikbare middelen, het best tegemoet komt aan de doelstelling van deze regeling, en zolang het bedrag, genoemd onder artikel 3niet wordt overschreden. De minister beoordeelt een aanvraag positiever naarmate hij is ingediend door een aanvrager die
in voorgaande jaren subsidie heeft ontvangen op grond van deze regeling of is gefinancierd op grond van het fonds ’de Voorziening’;
beschikt over een grotere organisatorische en vakmatige deskundigheid, en
activiteiten uitvoert die een lokaal belang overstijgen en meer op landelijke schaal worden uitgevoerd.
2. De minister voorziet in een gelijktijdige beslissing op aanvragen op basis van een vergelijking voor hun geschiktheid om bij te dragen aan de doelstellingen van de subsidie.
1. Zolang de subsidie niet is vastgesteld, stelt de subsidie-ontvanger de minister onverwijld in kennis van na de aanvraag tot subsidieverlening opgekomen of bekend geworden feiten of omstandigheden die redelijkerwijs van belang zouden kunnen zijn voor de vaststelling van de subsidie.
Voorafgaande schriftelijke instemming van de minister is vereist met:
a. het aangaan van huur- of koopovereenkomsten die leiden tot een jaarlijkse last van meer dan f 50.000;
b. het aangaan van overeenkomsten met betrekking tot intellectuele eigendomsrechten die rechtstreeks of middellijk voortvloeien uit activiteiten waarvoor subsidie is verstrekt;
c. het verstrekken van geldleningen;
d. het vervreemden of bezwaren van registergoederen en andere vermogensbestanddelen, deze laatste wanneer zij zijn verworven (mede) door middel van subsidie, dan wel de lasten daarvan (mede) zijn bestreden uit de subsidie;
e. het zich verbinden als borg, hoofdelijk medeschuldenaar of het zich voor derden sterk maken of zich tot zekerheidstelling voor schulden van derden verbinden.
1. Binnen een door de minister bij de subsidieverlening vast te stellen periode dient de subsidie-ontvanger bij de minister een aanvraag tot vaststelling van de subsidie in.
2. De aanvraag voor subsidievaststelling gaat vergezeld van: een financieel en een inhoudelijk verslag. In beide verslagen wordt tot uitdrukking gebracht in hoeverre sprake is van een behoorlijke uitvoering van het werkplan waarvoor subsidie is verleend en van de daarmee behaalde resultaten alsmede van een doelmatige aanwending van de subsidie.
3. De inrichting van het financieel verslag komt overeen met de indeling van de begroting, de inrichting van het inhoudelijk verslag komt overeen met de inrichting van het werkplan.
De minister delegeert de bevoegdheid tot het nemen van besluiten met betrekking tot het verstrekken van subsidies als bedoeld in deze regeling aan het bestuur van Stichting WeTeN te Utrecht, met uitzondering van de bevoegdheid tot het nemen van besluiten als bedoeld in artikel 3.