1. Voor belastingen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de wet kan aangifte worden gedaan in euro’s met betrekking tot tijdvakken die aanvangen onderscheidenlijk tijdstippen die zijn gelegen in de periode van 1 januari 1999 tot en met 31 december 2001.
2. Met betrekking tot een aangifte die is gedaan in euro’s, vinden de op de aangifte volgende heffing van de belasting waarop de aangifte betrekking heeft, de invordering in eerste aanleg op de voet van
hoofdstuk II van de Invorderingswet 1990, de aanmaning op de voet van artikel 11 van die wet en het in rekening brengen van kosten voor het verzenden van een aanmaning op de voet van de
Kostenwet invordering rijksbelastingen, eveneens plaats in euro’s.
3. Met betrekking tot de vermogensbelasting vinden het eerste en tweede lid toepassing wat betreft de heffing ter zake van de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002 en wat betreft de invordering ter zake van de kalenderjaren 2000 en 2001.
4. Het tweede lid vindt geen toepassing met betrekking tot voorlopige aanslagen.