1. Het Programma Kennisoverdracht Bodem 1998 heeft als doel het ondersteunen van activiteiten als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van het Besluit diverse subsidies milieubeheer, welke betrekking hebben op:
a. het in samenwerkingsverband ontwikkelen van eenduidige technische grondslagen, kwaliteitszorg en certificatie van bodembeschermende afdichtingsconstructies, bedrijfsvloeren, -verhardingen en -rioleringen;
b. de stand van zaken en de toepasbaarheid van enkelvoudige en geschakelde technieken die worden toegepast in het kader van de sanering van land- en waterbodems en de verwerking van grond, bagger en water, die kunnen vrijkomen door saneringsmaat-regelen;
c. de relatie tussen enerzijds de betrouwbaarheid van het inzicht in de aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem en anderzijds de betrouwbaarheid van het inzicht dat voorgenomen saneringsmaatregelen realiseerbaar zijn, of
d. de besluitvorming, de informatie, de informatiebehoefte en het onderzoek dat is gerelateerd aan maatregelen met het oog op de kwaliteit van de bodem.
2. Aanvragen tot subsidieverlening vermelden:
a. in hoeverre de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, bijdraagt aan het realiseren van de kennisoverdracht over onderwerpen als bedoeld in het eerste lid;
b. de omvang van de eigen middelen van de aanvrager en van subsidies van derden die, onderscheidenlijk subsidies die uit anderen hoofde vanwege de Staat, voor de uitvoering van de activiteit waarvoor subsidie wordt aangevraagd, zullen worden aangewend.
3. Aanvragen tot subsidieverlening kunnen tot 1 december 1998 worden ingediend bij:
Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
Directoraat-Generaal Milieubeheer
Directie Bodem (ipc 625)
Postbus 30945
2500 GX Den Haag
4. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidies in het kader van het Programma Kennisoverdracht Bodem 1998 wordt vastgesteld op f 2.370.000,-.
5. De Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer verdeelt het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat wanneer de aanvrager krachtens
artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrechtde gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag is aangevuld, met betrekking tot de verdeling, als datum van ontvangst van de aanvraag geldt.