1. Binnen tien maanden na afloop van het kalenderjaar waarin een uitkering is verstrekt, legt het college van burgemeester en wethouders een verklaring over, waaruit blijkt in hoeverre de verleende uitkering is besteed ten behoeve van het doel waarvoor zij was bestemd. Indien de uitkering meer bedroeg dan € 125 000 is de verantwoording voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in
artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Onze Minister kan een protocol vaststellen voor de wijze waarop de verklaring van de accountant wordt opgesteld.
2. Indien de in het eerste lid bedoelde gegevens voldoende blijken uit de vastgestelde rekening van de gemeente, kan worden volstaan met de toezending van de rekening, voorzien van een verklaring van een accountant bij de rekening als bedoeld in het eerste lid.
3. In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling voor de daarbij aan te wijzen gemeenten in het belang van het grotestedenbeleid worden bepaald dat:
a. de gemeente uiterlijk 15 juli van het jaar na afloop van het kalenderjaar waarvoor een uitkering is verstrekt, de in het eerste lid bedoelde verantwoording overlegt tezamen met de verantwoording van de andere daartoe aangewezen uitkeringen;
b. indien de som van de uitkeringen, bedoeld in onderdeel a, meer bedraagt dan € 125 000, de verantwoording is voorzien van een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 393, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Onze Minister kan een protocol vaststellen voor de wijze waarop de verklaring wordt opgesteld.