1. Het kind, bedoeld in
artikel 26, tweede lid, onderdeel a, van de ANWof de verzekerde ten behoeve van een kind als bedoeld in de
artikelen 7, tweede lid, onderdeel a, en
26, eerste lid, onderdeel a, van de AKW, zoals dit artikel luidde op 1 oktober 1995 heeft, indien het kind lessen of stages volgt van gemiddeld minder dan 213 klokuren per kwartaal toch aanspraak op een wezenuitkering op grond van de
ANWof kinderbijslag op grond van de
AKWindien:
het kind een opleiding aan een instelling voor hoger onderwijs, als bedoeld in de artikelen 1.8 of 6.9, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek dan wel een daarmee gelijkwaardige opleiding in of buiten Nederland volgt met een studiebelasting van ten minste 1680 uur per jaar;
b. het kind een andere studie of opleiding volgt dan genoemd onder a, met een studiebelasting van ten minste 1600 uur per jaar; of
c. het kind in het eindexamenjaar van een meerjarige studie of opleiding ten minste gemiddeld 162 klokuren per kwartaal lessen of stages volgt.
2. De persoon, bedoeld in
artikel 1:4, eerste lid, onderdeel e, van de Wet Wajongwordt, indien deze persoon lessen of stages volgt van gemiddeld minder dan 213 klokuren per kwartaal, toch aangemerkt als studerende indien onderdeel a, b, of c van het eerste lid op hem van overeenkomstige toepassing is.