Het adviescollege heeft tot taak:
a. het toetsen van ingediende projectvoorstellen aan het in de brief aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal van 6 april 1998 (Kamerstukken II 1997/98, 25839, nr. 2) genoemde beoordelingskader, alsmede aan gewijzigde en nog te ontwikkelen beoordelingscriteria;
b. het adviseren van de minister over kwantitatieve en kwalitatieve aspecten van de ingediende projectvoorstellen;
c. het heroverwegen van een door het adviescollege uitgebracht advies indien de minister daarom verzoekt.
1. Het adviescollege bestaat uit een voorzitter en vier leden.
2. De minister benoemt en ontslaat de voorzitter en de leden van het adviescollege.
3. De minister voegt een medewerker van de Directie Verzetsdeelnemers, Vervolgden en Burger-oorlogsgetroffenen als secretaris aan het adviescollege toe.
4. De minister voegt een medewerker van de Directie Verzetsdeelnemers, Vervolgden en Burger-oorlogsgetroffenen als plaatsvervangend secretaris aan het adviescollege toe.
Tot lid van het adviescollege worden benoemd:
de heer prof. dr. C.L. Davidson te Amsterdam;
de heer mr. F. Ensel te Amstelveen;
de heer drs. E. van Thijn te Amsterdam;
mevrouw G.H. Wertheim-Cahen te Maarsbergen.
De voorzitter en de leden van het adviescollege ontvangen een vergoeding voor reis- en verblijfskosten volgens de regelen voor dienstreizen die gelden voor rijksambtenaren.
Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 19 juni 1998.