1. De secretaris-generaal is bevoegd om namens de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het beheer over de archiefbescheiden te voeren.
2. De secretaris-generaal kan de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, overdragen aan:
a. de plaatsvervangend secretaris-generaal;
b. de directeuren-generaal, voor zover het hun dienstonderdeel betreft;
c. het hoofd van de Binnenlandse Veiligheidsdienst, voor zover het de Binnenlandse Veiligheidsdienst betreft.
3. De directeuren-generaal kunnen ten aanzien van de aan hen overgedragen bevoegdheid, ondermandaat verlenen aan de hoofden van de onder hen ressorterende diensten.
4. Het Hoofd Binnenlandse Veiligheidsdienst kan ten aanzien van de aan hem overgedragen bevoegdheid, ondermandaat verlenen aan het onder hem ressorterende afdelingshoofd.
1. De secretaris-generaal stelt uitvoeringsregelingen vast ten aanzien van het beheer van de archiefbescheiden.
2. De uitvoeringsregelingen handelen tenminste over de volgende onderwerpen:
a. registratie en archivering van archiefbescheiden, zowel fysiek als elektronisch;
b. documentaire structuurplannen;
c. opleidingseisen;
d. selectielijsten voor en vernietiging van archiefbescheiden;
e. vereisten aan gegevensdragers;
f. vereisten aan archiefruimten;
g. overdracht van archiefbescheiden van decentrale archieven naar de semi-statische archieven van het Ministerie van Binnenlandse Zaken;
h. beveiliging van archiefbescheiden;
i. substitutie, vervreemding en beschikbaarstelling van archiefbescheiden;
j. overbrenging van archiefbescheiden naar een rijksarchiefbewaarplaats in de zin van de Archiefwet 1995;
k. aanverwante werkzaamheden.