1. De vergunninghouder meldt onverwijld aan Onze Minister iedere wijziging met betrekking tot het leveringsgebied, de leveringsvoorwaarden of de eigendom van de aandelen in de vergunninghouder of in de rechtspersoon waarvan de vergunninghouder een dochtermaatschappij is als bedoeld in artikel 24a van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.
2. Onze Minister kan besluiten dat vanwege een wijziging als bedoeld in het eerste lid een wijziging van de leveringsvergunning noodzakelijk is.
3. De aanvraag voor een wijziging van een leveringsvergunning als bedoeld in het tweede lid, dan wel voor een wijziging als bedoeld in
artikel 55, derde lid, van de wetbevat in aanvulling op
artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht:
a. de reden voor de aanvraag, een beschrijving van het nieuwe leveringsgebied en de voorzieningsgegevens, indien de wijziging betrekking heeft op het leveringsgebied dan wel indien de uitvoering van een procedure als bedoeld in artikel 20, derde lid, van de wet aanleiding geeft tot de aanvraag,
b. de reden voor de aanvraag en de nieuwe leveringsvoorwaarden, indien de wijziging betrekking heeft op de leveringsvoorwaarden, of
c. de reden voor de aanvraag en de namen en de adressen van de nieuwe aandeelhouders, indien de wijziging betrekking heeft op de eigendom van de aandelen.
4. De artikelen 4, tweede lid, en 5, tweede lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de aanvraag voor een wijziging van een leveringsvergunning.