Als methoden van onderzoek welke bij uitsluiting beslissend zijn voor de vaststelling of al dan niet is voldaan aan de bij het Warenwetbesluit Meel en broodgestelde regels, worden aangewezen de in de bijlageopgenomen methoden.
4.1. Thermostatisch gecontroleerde droogstoof instelbaar op 60 en 105 oC, voorzien van een ventilatiesysteem.
4.2. Aluminium bakjes met minimaal 150 cm 2grondoppervlak.
4.3. Broodmes.
4.4. Exsiccator of droogkast, voorzien van vers geactiveerde silicagel met vochtindicator of een gelijkwaardig droogmiddel.
4.5. Een balans om hele broden te wegen, bij voorkeur een bovenweger met ten minste 2 kg weegvermogen en een nauwkeurigheid van 1 g.
4.6. Een balans voor droge stof-weging, bij voorkeur een bovenweger met een nauwkeurigheid van 10 mg.
5.1. Monstername.
5.1.1. Van broden met een hoeveelheid droge stof groter dan of gelijk aan 120 g worden ter plaatse ten minste 5 broden uit de voorraad genomen en afgewogen. Het gemiddelde gewicht van deze broden wordt bepaald en het brood waarvan het gewicht het dichtst bij het gemiddelde ligt, wordt bemonsterd.
5.1.2. Bij broodjes met een hoeveelheid droge stof kleiner dan 120 g worden uit de voorraad genomen ten minste drie groepen:
van 4 stuks elk bij broodjes met een gewicht van 60 g of meer;
van 6 stuks elk bij broodjes met een gewicht van meer dan 30 g en minder dan 60 g;
van 8 stuks elk bij broodjes met een gewicht van 30 g of minder.
Van elke groep wordt het gewicht bepaald ter plaatse van monsterneming en de gewichten genoteerd.
Een groep waarvan het gewicht het dichtst bij het gemiddelde gewicht der drie groepen ligt wordt als monster genomen.
5.2. Broden met een hoeveelheid droge stof groter dan 120 g.
5.2.1. Weeg het brood.
5.2.2. Neem een snede brood (50 ± 10 g) uit het midden van het brood of bij voorverpakt gesneden brood, stokbrood etc. zoveel sneden uit het midden van het brood, dat deze samen ongeveer 50 g wegen.
5.2.3. Verdeel de sneden in blokjes van ongeveer 1 cm 3, (roggebrood in kleinere blokjes), breng deze in de aluminium bakjes en weeg.
5.2.4. Plaats de bakjes met inhoud in de droogstoof en droog gedurende 5 à 6 uur vóór bij een temperatuur van 60 oC.
5.2.5. Droog vervolgens bij een temperatuur van 102-105 oC, koel af in de exsiccator en weeg. Herhaal deze bewerking totdat constant gewicht is verkregen.
5.3. Broodjes met een hoeveelheid droge stof kleiner dan 120 g.
5.3.1. Weeg een groep broodjes.
5.3.2. Neem van elk der broodjes een zodanige hoeveelheid dat het totaalgewicht ongeveer 50 g bedraagt; dit betekent voor broodjes met een hoeveelheid droge stof van 60-70, 30-36 en 10-25 g respectievelijk 1/4 deel, 1/6 deel en 1/8 deel per broodje.
6.1. Berekening en formule.
6.1.1. Broden met een hoeveelheid droge stof groter dan 120 g.
Droge stofgewicht: (a:b) x (d:c) x e g, waarin:
a = gewicht van het brood bij het begin van het onderzoek (5.2.1.) in grammen
b = gewicht van het brood bij de monstername (5.1.1.)
c = afgewogen hoeveelheid blokjes in grammen (5.2.3.)
d = gewicht van de droge blokjes in grammen (5.2.5.)
e = gemiddeld gewicht van de bij de monstername gewogen broden (5.1.1.).
6.1.2. Broodjes met een hoeveelheid droge stof kleiner dan 120 g.
Droge stofgewicht: (a/b) x (d/c) x (e/n) g, waarin:
a = gewicht van de groep bij het begin van het onderzoek (5.3.1.)
b = gewicht van de groep bij monstername (5.1.2.)
c = afgewogen hoeveelheid blokjes in grammen (5.2.3.)
d = gewicht van de droge blokjes in grammen (5.2.5.)
e = gemiddelde gewicht van de bij de monstername gewogen groepen (5.1.2.)
n = aantal broodjes gebruikt bij de bepaling (5.1.2.)