1. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen kan een g-rekeningovereenkomst eenzijdig en zonder rechterlijke tussenkomst opzeggen indien:
a. de rekeninghouder geen of op onjuiste wijze gebruik maakt van de g-rekening;
b. de rekeninghouder niet of niet meer de hoedanigheid blijkt te bezitten van onderaannemer als bedoeld in artikel 2;
c. de rekeninghouder geen werkgever meer is in de zin van artikel 3 van de wet;
d. met de rekeninghouder meer dan één g-rekening is gesloten en de rekeninghouder niet aannemelijk kan maken dat het aanhouden van meer dan één g-rekening voor zijn bedrijfsvoering noodzakelijk is;
e. de rekeninghouder in staat van faillissement is verklaard;
f. aan de rekeninghouder surseance van betaling is verleend.
2. De rekeninghouder en de betrokken kredietinstelling zijn, onverminderd het vierde lid, bevoegd de g-rekeningovereenkomst eenzijdig, zonder rechterlijke tussenkomst en zonder opgaaf van reden op te zeggen.
3. De opzegging geschiedt schriftelijk. Zij wordt niet eerder van kracht dan nadat zij aan de overige partijen bij de g-rekeningovereenkomst is bekendgemaakt. De opzegging wordt voorts niet van kracht zolang en voorzover die opzegging een belemmering zou vormen voor de toepassing van het vierde lid.
4. Na opzegging van de g-rekeningovereenkomst blijft die overeenkomst niettemin van toepassing op het saldo van de g-rekening ten tijde van de opzegging, alsmede op hetgeen nadien op die rekening wordt gestort, een en ander voorzover daardoor geen strijdigheid ontstaat met de gevolgen die rechtens zijn verbonden aan het in staat van faillissement verklaren van de rekeninghouder of het hem verlenen van surseance van betaling.
5. Een betaling die wordt verricht op een rekening welke oorspronkelijk is geopend ingevolge een g-rekeningovereenkomst doch met betrekking waartoe een opzegging van die overeenkomst van kracht is geworden, wordt voor de toepassing van
artikel 16b, vijfde lid, van de wetniet aangemerkt als betaling, tenzij die betaling deel is gaan uitmaken van het saldo op die rekening of het gedeelte van dat saldo op die rekening waarop ondanks die opzegging ingevolge het vierde lid het in artikel 1, onderdeel i, bedoelde pandrecht is komen te rusten.