1. Aan een school of scholengemeenschap kan op aanvraag van het bevoegd gezag een vergoeding voor personeelskosten worden toegekend ten behoeve van een leerling die als direct gevolg van een visuele of auditieve handicap aanvullende begeleiding behoeft om het voortgezet onderwijs te kunnen volgen.
2. De vergoeding, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld door het gedeelte van een formatieplaats als bedoeld in artikel 4, te vermenigvuldigen met de gemiddelde personeelslast van de school of scholengemeenschap ingevolge artikel 85, vierde lid, eerste volzin, van de Wet op het voortgezet onderwijs.
3. De vergoeding, bedoeld in het tweede lid, wordt volgens het voor de school geldend kasritme verleend:
a. voor de duur van een schooljaar, indien de daartoe strekkende aanvraag is ingediend voor 15 oktober van het betreffende schooljaar en de leerling waarvoor de vergoeding wordt gevraagd, op 1 oktober aan de school is ingeschreven, of
b. voor een gedeelte van het schooljaar, indien de aanvraag voor een vergoeding wordt ingediend op of na 15 oktober van het betreffende schooljaar; in dat geval strekt de vergoeding zich uit over de overige maanden van het schooljaar, volgend op die waarin de aanvraag is ingediend, en uitsluitend over de maanden waarin de leerling aan de school is ingeschreven.
4. De uitkomst van de vermenigvuldiging, bedoeld in het tweede lid, wordt afgerond op twee decimalen, waarbij de tweede decimaal met 1 wordt verhoogd indien de derde decimaal 5 of meer bedraagt.