1. De aanvraag wordt, voor zover het de voorwaarde van
artikel 30, tweede lid, onderdeel a, van de wetbetreft, getoetst aan de volgende gegevens en bewijsstukken, die door de scheepsbeheerder worden overgelegd:
a. de niet langer dan twee weken voor de aanvraagdatum door het Centraal Arbeidsbureau voor de Scheepvaart of door het Arbeids-bureau voor Bagger-, Kust- en Oeverwerken afgegeven verklaring, waaruit blijkt welke personen voor de betrokken vacature bemiddelbaar zijn;
b. kopieën van de geplaatste recente advertenties in een of meer geschikte landelijke dagbladen en in een of meer vakbladen die aan boord beschikbaar zijn, waarvan de verschijningsdatum ten minste twee weken voor de aanvraagdatum ligt;
c. de gronden waarop de kandidatuur van de personen die in de verklaring, bedoeld in onderdeel a, worden genoemd en van de personen die gereageerd hebben op de advertenties, bedoeld in onderdeel b, door de scheepsbeheerder wordt verworpen.
2. De advertenties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, bevatten voor Nederlandse kapiteins marktconforme arbeidsvoorwaarden.