1. De secretaris-generaal wordt toegestaan van het aan hem verleende mandaat ondermandaat te verlenen aan:
a. een diensthoofd of
b. een andere rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris.
2. De secretaris-generaal wordt de bevoegdheid verleend tot het geven van instructies aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, omtrent de mate waarin en de wijze waarop gebruikt dient te worden gemaakt van het aan hem verleende ondermandaat.
3. De secretaris-generaal kan bij verlening van het ondermandaat, bedoeld in het eerste lid, aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, toestaan dat deze vervolgens ondermandaat verleent aan een rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris.
4. De secretaris-generaal kent aan een functionaris als bedoeld in het eerste lid, bij de toepassing van het derde lid, de bevoegdheid toe nadere instructies te geven aan een rechtstreeks onder hem ressorterende functionaris, omtrent de mate waarin en de wijze waarop door deze met het hem verleende ondermandaat moet worden omgegaan.
5. Besluiten van de secretaris-generaal tot verlening van het ondermandaat, bedoeld in het eerste lid, dienen ter goedkeuring aan de minister te worden voorgelegd.
6. Besluiten van een functionaris, als bedoeld in het eerste lid, tot verlening van het ondermandaat, bedoeld in het derde lid, alsmede een door een functionaris, bedoeld in het eerste lid, gegeven nadere instructie als bedoeld in het vierde lid, dienen ter goedkeuring aan de secretaris-generaal te worden voorgelegd.