Artikel 1
1. In dit besluit wordt verstaan onder:
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
b. NAK: Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen;
c. document: schriftelijk bewijsstuk, ingericht overeenkomstig een door Onze Minister vastgesteld model waarin wordt aangegeven dat het betrokken teeltmateriaal door de NAK is goedgekeurd dan wel met toestemming van de NAK in het verkeer is gebracht en verder verhandeld mag worden;
d. EEG-richtlijnen: 1. richtlijn nr. 66/400/EEG, betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PbEG L 125);
2. richtlijn nr. 66/401/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PbEG L 125);
3. richtlijn nr. 66/402/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (PbEG L 125);
4. richtlijn nr. 66/403/EEG, betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG L 125);
5. richtlijn nr. 69/208/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PbEG L 169).
1. richtlijn nr. 66/400/EEG, betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PbEG L 125);
2. richtlijn nr. 66/401/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PbEG L 125);
3. richtlijn nr. 66/402/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (PbEG L 125);
4. richtlijn nr. 66/403/EEG, betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG L 125);
5. richtlijn nr. 69/208/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PbEG L 169).
2. Een wijziging van de EEG-richtlijnen gaat voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. .
a. Onze Minister: Onze Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij;
b. NAK: Stichting Nederlandse Algemene Keuringsdienst voor zaaizaad en pootgoed van landbouwgewassen;
c. document: schriftelijk bewijsstuk, ingericht overeenkomstig een door Onze Minister vastgesteld model waarin wordt aangegeven dat het betrokken teeltmateriaal door de NAK is goedgekeurd dan wel met toestemming van de NAK in het verkeer is gebracht en verder verhandeld mag worden;
d. EEG-richtlijnen: 1. richtlijn nr. 66/400/EEG, betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PbEG L 125);
2. richtlijn nr. 66/401/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PbEG L 125);
3. richtlijn nr. 66/402/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (PbEG L 125);
4. richtlijn nr. 66/403/EEG, betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG L 125);
5. richtlijn nr. 69/208/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PbEG L 169).
1. richtlijn nr. 66/400/EEG, betreffende het in de handel brengen van bietenzaad (PbEG L 125);
2. richtlijn nr. 66/401/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van groenvoedergewassen (PbEG L 125);
3. richtlijn nr. 66/402/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaigranen (PbEG L 125);
4. richtlijn nr. 66/403/EEG, betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen (PbEG L 125);
5. richtlijn nr. 69/208/EEG, betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PbEG L 169).
2. Een wijziging van de EEG-richtlijnen gaat voor de toepassing van artikel 2, tweede lid, gelden met ingang van de dag waarop aan de betrokken wijzigingsrichtlijn uitvoering moet zijn gegeven. .