1. Met ingang van de aanpassingsdatum luiden:
a. het in de artikelen 13a, 58a en 138a, telkens tweede lid, genoemde bedrag f 7383,44;
b. het in de artikelen 27a, vierde lid, 27b, derde lid, 73, vierde lid, 73a, derde lid, 150a, vierde lid, en 150b, derde lid genoemde bedrag: f 64.482,48;
c. de bedragen van de artikelen 93 en 94 van de wet, zoals die artikelen luidden op 31 december 1985: artikel 93, eerste, tweede en derde lid: f 163.363,– artikel 94, onder a: f 163.363,–; f 116.688,– artikel 94, onder b: f 163.363,–; f 23.337,–; f 46.674,–;
d. het in artikel 156, tweede lid, van de wet genoemde bedrag: f 28.620,–;
2. Een pensioen dat is toegekend met toepassing van
artikel 38 van de wetbedraagt vanaf de aanpassingsdatum ten hoogste f 47.969,–.
3. Een pensioen dat is toegekend met toepassing van
artikel 83 van de wetbedraagt vanaf de aanpassingsdatum f 2151,– per lidmaatschapsjaar en ten hoogste f 39.114,–.